Stamboom Baars Rhenen

Willem Pieterz. Moerman van Blankenburg

Persoonskaart

Persoonsgebeurtenissen

Soort gebeurtenis Datum Plaats Omschrijving
Geboorte 1573 Blankenberge, België
Huwelijk 1605 Poortugaal, Nederland
Huwelijk 1621 Pernis, Nederland
Beroep Bouwman
Overlijden 1648 Blankenburg, Nederland

Notities

Graven van andere Moermannen in Belgie: http://www.grafzerkje.be/nieuwsbrief/67 & http://www.deuzie.be/artikels/26-3-2%20St-Jacob%202.htm
Willem Pietersz Moerman liet een rouwbord schilderen, voorzien van zijn familiewapen en dat van zijn tweede vrouw en met een tekst op rijm over zijn afkomst. Na zijn dood is het opgehangen in de kerk van Zwartewaal.

De tekst luidt:
kop: AanDagtige OverDenkinge Over Mijn Wedervaren in Deze Bedroefde Lijdende en Strijdende Weerelt:

vers1.
Als Spaans Freet (wreed) Gespuis Heel Vlaanderen Ging Kwelle
Zoo Dat Geen Leeuw Hem Zoo In T Freetse Mogt Aanstelle
Zoo Heeft Daar Bove Nog ons Honger Zware Plage
Daarbij Nog Zware Pest Schier E Slaage
Ik Die Was Jong Geijaart Moest Vlugten Door Dees Nood
Zegt Mijn Jeugdig Hert Te Vrijije (vrijwaren) Van Den Dood
Ik Ben In Holland Geraakt God Heeft Mij Hier Gegeven
Bevrijd Van Straf En Nood Genoeg Om Wel Te Leven
Mijn Laas Mijn Gans Geslagt Is Door Deez Nood Verdwenen
Dat Nooit Een Straal Daar Van In T Minste Is Verschenen.

vers2.
Iozef Die Was Verkogt En Buitenslans Verdreven
Maar Echter Zijn Geslagt Is In T Ligt Gebleven
Mijn Stam En Afkomst Was Eertijds Genaamt Moorman
Dat Ist Meeste Wat Mij Hier Van Heugen Kan
Terweil Ik Op T Land Mijn Woning Nam Met Zorg
Zoo Kreeg Ik Hier Nogtans De Van Van Blankenburg
Maar OmdatMijn Afkomst Niet Blijve ou Vergeten
Zoo Gaat Men Mij Moerman Van Blankenburg Heeten
God Geeft Dat Ik Moerman Van Blankenburg Sweven
In T Hemels Blankenburg Bij God In Ewigh Leven.

Boven deze tekst bevindt zich een engelenkopje met het opschrift:
"Zoekt dat boven is en niet dat beneden is".

Het wapen van Willem Pietersz. Moerman is gevierendeeld. De kwartieren 1 en 4 in goud een
zwarte vogel, zittend op een groene tak met rode bessen. De kwartieren 2 en 3 in bmin een zilveren burcht en
corresponderen met het wapen van Blankenburg. Het wapen van Neeltje Jans, de tweede vrouw van
Willem Pietersz., bevat een dekkingslijn, waarin drie boven elkaar en aan elkaar verbonden lelieen met
links de letter N en rechts de letter J. Boven de schilden de bekroning met een helmteken,
waarop een vogel. Onder de schilden is een lint aangebracht waarop staat
"Willem Pietersz. Moerman AD XVICXLVIII.
Onder het lint een gedicht, wat hieronder staat, met daarboven op een rand een engelkopje met de
woorden:
"Souckt dat boven is" en een engelkopje eronder met de woorden "Niet wat beneden is"
Het mogelijke voorgeslacht van Willem Pietersz. Moerman van Blankenburg zou kunnen zijn:
- Pieter Cornelisz. geboren1540, Blankeberge, Belgie, gehuwd in 1565, Overleden 1587 Blankenberge Belgie. Overleden tijdens de slag tegen Philips II om Blankenberge (Schulze)
- Cornelis Louysz. Moerman, geboren 1519, Brugge Vlaanderen, overleden 28/12/1576. Hij is voor 1540 getrouwd Dame van Ellemsin (d'Allemin)
- Louys Moerman, geboren 1500 in Brugge Vlaanderen. Overleden in Brugge

De familienaam "Moerman" is in het Zuidwesten van Zuid-Holland een algemeen voorkomende naam.
De naam "Moerman" duidt oorspronkelijk op het beroep van vervener, d.w.z een veen- of turfwerker. Moer is veengrond, moeras en vele plaatsnamen in Nederland herinneren daaraan. Denk aan Moerdijk of Moerkapelle. In Vlaanderen kunnen worden genoem d Moerkerke, Moeren of Moerzeke.
Het veen, moer genaamd, werd afgegraven (moeren genoemd), verbrand en de zoutrijke as met water vermengd.Na enige bewerkingen bleef het zout over. Zout was in de Middeleeuwen kostbaar en veel gevraagd voor het conserveren van vis en vlees. De zout bereiding uit moerasturf geschiedde in ons land tot in de 16e eeuw.
Aan het eind van de 13e eeuw komen in Vlaanderen voor het eerst familienamen voor die op -man eindigen. In het land van Waas, tussen Zeeuws-Vlaanderen en Antwerpen komt in het jaar 1295 de naam Moerman al voor

In de eerste helft van de 16e eeuw was het gebied tussen Maassluis en Brielle één grote watervlakte met vele ondiepten, die met laag water droog kwamen te liggen. De Vlaardingse vogelaars, te weten vader en zoon Bisdommer, waren de eerste pioniers , die de (letterlijke tekst) "rugge en ofte slicke voor Swartewaale.......twelcke van nu voortaan genaemtt zal werden Roosenburch" in 1586 in pacht verwierven en zich verplichtten het te bedijken. Dit gebied werd de kern van het latere poldergebie d Oud-Rozenburg.
Ten westen daarvan werd de polder Blankenburg bedijkt. Dit moet zijn gedaan door Willem Pieterszoon Moerman, geboren omstreeks 1573, vermoedelijk te Blankenberge in Vlaanderen. Hij was gevlucht "voor de Spanjaarden???" en kwam in holland aan na zich vermoedelijk korte tijd in sluis (Zeeuws Vlaanderen) te hebben opgehouden. Het trouwboek van het dorp Portugaal vermeldt: "Willem Pietersz. van Blankenbergen met Maritgen Rokus van Hoogvlyet zijn na drye kerckelijke proclamatien getrou t in Portugaal A° 1605"
In het gemeente archief van Maassluis is een aantekening van 1774, van Samuel Moerman dat zegt, dat door Moerman de eerste woning op het eiland Blankenburg is gebouwd. Waarschijnlijk heeft Willem Pietersz Moerman direct na zijn huwelijk zich op het onbewoonde eiland gevestigd en het eiland de naam Blankenbe(u)rg gegeven, dus genaamd naar zijn plaats van herkomst "Blankenberge". Zijn huis bevond zich ongeveer op de plaats waar nu "A° 2000" de chemische industrie ICI is gevestigd.
Willem Pietersz Moerman liet in 1621 bij notaris Johan Dwinglo te Vlaardingen een uitvoerig testament opmaken. Daaruit blijkt dat hij tot de zeer welgestelden behoorde.
Na de dood van Maritgen Rokusdr Lems hertrouwde hij in 1621 te Pernis met Neeltje Jansdr Block. In 1648 overleed Willem Pietersz. Een notariele akte opgemaakt 3 juli 1652 te Maassluis vermeldt het aantal in leven zijnde kinderen uit beide huwelijken.
Tekst overgenomen uit "Groei en Evolutie van Rozenburg eens een eiland: Auteur A.J.M. Tetteroo DSW Dordrecht niet commerciele uitgave 1982.

Willem Pietersz Moerman werd geboren in het Vlaamse stadje Blankenberge en staat in het doopregister als Willem Moorman. Zijn ouders namen met hun gezin de vlucht vanuit Sluis naar het toen nog veilige Holland, tijdens de inneming van Belgie door de Spanjaarden in 1587.

Willem was toen 14 jaar oud. Het gezin Moorman vestigde zich in Portugaal en raakte in goede welstand. In 1605 trad Willem Pietersz in het huwelijk met Margitgen Rokusdr, die in Hoogvliet woonachtig was. In de Nederlandsche Leeuw Jaarg. LXIX, No. 1, is de volgende huwelijksomschrijving te vinden: Willem Pietersz Moerman van Blankenburche, met Margitge Rokus, van Hoogvliet, ghetrouwdt in Portegael anno 1605.

Met Blankenburche werd geen eiland, polder of zandplaat bedoeld, maar de geboorteplaats van Moerman. In vroeger tijd kwam het heel vaak voor, dat de namen werd opgeschreven, zoals die werden uigesproken. Hierdoor is menige naam verbasterd of geheel veranderd. Alom zal bekend geweest zijn, dat Moerman uit Blankenberge afkomstig was, zodat deze stadsnaam spoedig ingeburgerd raakte. Direct na hun huwelijk pachtte het jonge paar een van de zandplaten in de monde van de Maas. Dat was de Middelplaat, die reeds in 1508 bezomerkaad was. In de erfpachtvoorwaarden werden ook weer verplichtingen gesteld. Enkele daarvan zijn: het opzetten van eendekooien, het bedijken van de zandplaat en het steken van een haventje. Hieronder volgt de tekst zoals die op het rouwbord van Willem Moerman is geschreven.

Aandachtige overdenkinge over mijn wedervaren
in deze bedroevende, lijdende en strijdende weerelt.
Als Spaans freet gespuis heel Vlaanderen gingh kwelle,
Zoo dat geen leeuw hem in 't freetste mogh aamstelle,
Zoo heeft daarboven nog ons honger zware plage.
Daar bij nog zware pest schiere (g)eslaage.
Ik die was jong geyaard, moest vluchten door dees nood.
Zogt mijn jeugdig hert te vrije van den dood.
Ik ben in Holland geraakt. God heeft mij hier gegeven,
Bevrijd van straf en nood, genoeg om van te leven.
Maar helaas mijn gans geslagt is door dees nood verdreven.
Dat nooit een straal daar van in 't minste is verschenen.
Maar echter zijn geslagt is in 't licht gebleven.
Mijn stam en afkomst was eertijds genaamd Morman;
Dit is 't meest wat mij hier van heugen kan.
Terweil ik op 't Yland mijn woning nam met zorg.
Zoo kreeg ik hier nogtans de Van: Van Blankenburg.
Maar omdat mijn afkomst niet blijve zou vergeten,
Zoo gaat men mij Moerman van Blankenburg heeten.
God geve, dat ik Moerman van Blankenburg sweven
in 's hemels Blankenburg bij God in ewigh leven.

De boerderij die hij bouwde kreeg de naam 'BLANCKENBURCH". In navolging van de adel ging Moerman zich 'Moerman van Blanckenburch' noemen. Later ging deze naam over op de polder en nog later op de gehele woongemeenschap. De Voornse Domeinen hebben deze naam overgenomen. In akten van de Voornse Domeinen wordt de vader van Willem Pietersz omschreven als 'Moorman van Portegaele'. In andere akten, eveneens van de Voornse Domeinen, wordt Willem Pietersz aangeduid als Moerman van Blanckenburche. Schim (Samuel Moerman) zou het verhaal over zijn voorvader rond 1700 hebben verteld aan een notaris in Maasland.
Blankenburg

Wie op zoek gaat naar het dorpje Blankenburg komt bedrogen uit: het verdween omstreeks 1965 van de kaart door de oprukkende industrie. Maar liefst vijf meter grond bedekt nu de plaats waar vroeger boerderijen, huizen, een kerk, school en rechthuis stonden.

Blankenburg, het eiland
Het dorpje Blankenburg dankte zijn naam aan het gelijknamige eiland. Dat ontstond als een zand- en kleiplaat in de Maas en werd waarschijnlijk in 1587 of 1588 verpacht aan een vogelaar. Deze eerste pachter maakte een eendenkooi, bouwde er zijn huis en nam de bedijking voortvarend ter hand; in 1612 was ruim 90 gemeten bedijkt. Wie die pachter was is onbekend, maar Willem Pietersz. Moerman (ca.1575-1648) was er vroeg bij betrokken. In 1605 woonde hij in elk geval al op het eiland. Hij was één van de velen die in de voorgaande jaren van oorlog vanuit Vlaanderen naar het noorden waren gevlucht. Hij had zijn familie en vaderland verloren maar vond een nieuw thuis op dit eiland, dat hij waarschijnlijk zelf hielp stichten. Toen het werk gedaan was noemde hij zich (aldus het rouwbord in de kerk van Zwartewaal) trots ‘Moerman van Blankenburg'.

Die van het eiland
In de eerste helft van de 17e eeuw werd Blankenburg met verschillende andere eilandjes in de Maas samengevoegd. In de naam wilde men voor elkaar niet onderdoen; tot ver in de 19e eeuw heette het: "Rozenburg en Blankenburg met de Ruige- en Langeplaat". De voormalige eilanden bestonden voort als polders; de watering ‘het sparregat', vormde de grens tussen Rozenburg en Blankenburg. Er woonden in die tijd niet veel mensen. Te weinig om een eigen kerkgebouw of zelfs maar predikant te onderhouden. Die van het eiland, zoals de bewoners werden genoemd, kerkten in Zwartewaal. Vanaf 1644 kwam de predikant van Zwartewaal, ds. Pythius, over om op Rozenburg in de diensten voor te gaan. Die diensten werden gehouden in de woning die door Bisdommer gebouwd was. Toen Pythius in 1657 te oud werd voor de wekelijkse overtocht werd een eigen predikant beroepen en begon men met de bouw van een kerk. De bewoning was nog steeds schaars en zeer verspreid, maar de meeste bewoners woonden in Blankenburg, waar een haventje was gegraven en een veer met Nieuwesluis werd onderhouden. Daar werden dan ook de kerk, de pastorie en de school (alle omstreeks 1658) gebouwd en ontstond het dorp. Later werd hier ook het rechthuis gebouwd (ca 1700), waar schout en schepenen en het polderbestuur bijeenkwamen en waar reizigers konden overnachten.

Stagnatie
Twee eeuwen lang bleef Blankenburg het centrum van het eiland. Toch kon zij deze positie niet vasthouden. De haven en het veer naar Nieuwesluis was van weinig betekenis en bleef dat, zeker toen er een veer van Brielle op Rozenburg tot stand kwam. Belangrijker echter was het feit dat het eiland gestaag bleef groeien in westelijke richting. Als gevolg van de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1872) kreeg het eiland zelfs aansluiting bij de Beer, het duingebied dat voordien aan het vasteland van Holland had vastgezeten, en beschikte Rozenburg in het vervolg over een strand en natuurgebied. Blankenburg kwam steeds verder weg te liggen voor de mensen op het eiland.

Achteruitgang
Door dit alles ontstonden er naast de Zuidzij, zoals Blankenburg in de volksmond heette, meerdere kleine kernen. De bebouwing concentreerde zich meer en meer op de veerhoofden tegenover Maassluis en Brielle, op de Zanddijk en op de noordelijke dijk van Rozenburg, de Buurt geheten. Het is moeilijk te zeggen wanneer het tij keerde, maar gaandeweg verloor Blankenburg de centrumfunctie aan Rozenburg. In 1857 betrok de chirurgijn een nieuw huis. In 1863 werd een gemeentehuis gebouwd en in 1887 een nieuwe molen daar schuin tegenover. In de tussenliggende jaren werd een nieuwe begraafplaats aangelegd. Dit alles gebeurde niet in Blankenburg, maar in Rozenburg. In 1935 ging de trots van Blankenburg verloren: de kerk werd afgebroken, de nieuwe Immanuëlkerk verrees in Rozenburg... Toch was Blankenburg nog steeds een redelijke kern, waar bijna vierhonderd mensen woonden, van totale eiland-bevolking die drieduizend zielen telde. Hier stonden ook een school, enkele boerderijen, tientallen veelal kleine winkeltjes en café's en vonden we drie bakkers, een smid, een metselaar, een schilder, enz.

Watersnoodramp
In 1953 werd het eiland getroffen door de Watersnoodramp. In de herinnering van vele Rozenburgers was dit een keerpunt in de geschiedenis van het eiland. ‘De machines die kwamen om de dijken te herstellen zijn daarna nooit meer weggegaan', wordt wel gehoord. In zekere zin is dat juist. Na de oorlog was Rotterdam de motor waarop de Nederlandse economie werd voortgestuwd. Maar hier voor moest Rotterdam uitbreiden; de havencapaciteit moest groeien, er moest ruimte zijn voor de opslag van olie, erts en raffinaderijen. In 1947 begon Rotterdam met het uitvoeren van het plan Botlek, tien jaar later bleek dat al te klein en keek men verder richting zee. In november 1957 ging de gemeenteraad van Rotterdam akkoord met een veel ambitieuzer plan: het plan Europoort, waarvan heel het eiland Rozenburg deel uitmaakte. Voor de kust werd de Maasvlakte opgespoten. In de volle lengte van het eiland werden twee kanalen gegraven. Het Calandkanaal geeft toegang tot een aantal petroleumhavens en eindigde in de Brittanniëhaven. Het Hartelkanaal vormde de verbinding tussen de Maasvlakte en de Oude Maas. De vrijgekomen bagger werd gebruikt om het hele eiland zo'n vijf meter op te hogen. In minder dan tien jaar kreeg dit alles zijn beslag.

Het einde van een dorp
Tegen beter weten in hoopte men in Blankenburg lange tijd dat ‘het niet zo'n vaart zou lopen'. Weliswaar betekende de vestiging van de scheepswerf Verolme de eerste stap in de Boschpolder en dus op het eiland, maar het meeste geweld bleef op grote afstand: in 1958 begon het werk aan de westpunt van het eiland, vijftien kilometer verwijderd van Blankenburg, en ook de grote bouwplannen voor woningen waren vooralsnog geprojecteerd nabij Rozenburg. Maar tenslotte was het zover. Op 23 november 1960 vonden de bewoners een brief op de deurmat waarin de gemeente Rotterdam aankondigde dat zij zouden worden onteigend. De daaropvolgende jaren waren hectisch, chaotisch en vaak emotioneel. De bewoners van Blankenburg weigerden zich gewonnen te geven, maar verzet was in die tijd ondenkbaar. Eén voor één verdwenen zij; de één naar de Noord-Oostpolder, een ander naar Voorne en weer een ander naar Rozenburg. De huizen bleven leeg achter, werden gesloopt of tijdelijk door anderen betrokken; waar mogelijk werden voorbereidingen getroffen voor de bouw van de industrie; dijken werden opgeworpen en de grond met bagger opgehoogd. Muggen en ratten waren plotseling niet meer weg te denken. Dit alles gaf het oude dorp een spookachtig aanzien. (In) Blankenburg, zo schreef een verslaggever in oktober 1965, (heeft)men de indruk (...) te wandelen in een verwoest dorp dat slechts enkele uren tevoren door de vijandelijke troepen werd verlaten. Op 13 november 1965 verdwenen de laatste bewoners, het was het gezin van W. van Oudheusden. Hun huis, in feite een restant van de voormalige school van Blankenburg werd twee dagen later tegen de grond gegooid. Hierna kon de bouw van de industrie beginnen.


De naam
Over de naam Blankenburg doen verschillende verhalen de ronde. Bijna een eeuw voordat het eiland werd bedijkt was er reeds sprake van zandplaten in de Maas; één daarvan zou zelfs korte tijd bewoond zijn geweest. Deze plaat werd de Blencken genoemd. Het idee is dat Blencken verbasterd is tot Blankenburg. Een andere verklaring is dat één van de grondleggers van het eiland, Willem Pietersz. Moerman, uit Blankenberge afkomstig was. Vast staat dat hij uit Vlaanderen kwam en dat de naam Moerman langs de Belgische kust voorkomt.


Het wapen

Blankenburg heeft nooit een wapen gehad.

Media